*ed. 2023
I
Men zegt dat het lot onzichtbaar is, maar die ochtend had het niet duidelijker kunnen zijn.
Mijn moeder en ik zullen ons altijd blijven herinneren wat we aan het doen waren ik was bijvoorbeeld bezig sinaasappelconfituur te maken en de haast waarmee we die activiteit staakten om naar buiten te gaan en te kijken, ondanks de regen en de gure wind.
II
Ik zag mijn vader een put graven naast het tuinhuis; links van hem een kruiwagen met daarin de bronzen klok. Mijn moeder liep als eerste naar hem. Ze kantelde de kruiwagen en de klok viel traag in de put. Ik nam een schop en dichtte het gat dat mijn vader had gegraven. Na dit merkwaardige feit begon ik na te denken over onze rol als buitenstaanders in dit dorp. Ik vroeg me af wat we daar juist deden, op die plek. Die noch onze thuis is maar ons evenmin onbekend.
III
Wij waren het die de bronzen klok in Loker hadden ontvreemd. Een feit dat de bewoners van het dorp al geruime tijd beroerde. Ik begon te twijfelen aan mijn ouders. Mijn moeder die doet alsof ze slaapt. Mijn vader die zwijgend op bed ligt.
IV
De telesiège draaide en we hoorden het zoemende geluid tot bij ons. Zelden zat er iemand op. Soms een verdwaalde wandelaar of een koppel Fransen wiens verwachtingen nog hoog waren toen ze de foto’s op de gedateerde website hadden gezien.
Ik ben er zelf nooit op geweest.
Het leek me beter om de voorspelbaarheid van mijn dagen zo goed mogelijk te behouden, elk risico op een vorm van gevaar te vermijden.
De banaliteit te koesteren.
Vaak gingen er dagen voorbij waarin ik niets had gedaan.
Ik hield mezelf wel vaker voor dat dingen niet gebeuren als je er niet om vraagt.
V
Het regende pijpenstelen uit een hemel grauw als november en vader veegde aandachtig de regendruppels van zijn bril.
VI
We vertrokken: vader, moeder en ik. Moeder zat aan het stuur, mijn vader kon niet rijden. Hij had twee infarcten gehad en door een beroerte was zijn linkerkant voor een deel verzwakt. Eerlijk gezegd zou hij zelfs de kruiwagen niet naar boven hebben geduwd als hij niet beschikte over een zeldzame kracht, die naar bovenkwam als hij in onverwachte situaties verkeerde.
We namen de weg in de richting van het bos, de berg op.
Niemand ons had uiting gegeven aan de vrees die we allemaal onmiddellijk hadden gevoeld bij de berg aarde en daarnaast de lege put.
VII
Onze expeditie had iets onechts, alsof we iets achterhielden, iets verdrongen;
De verstandige aanpak waarmee mijn moeder de tocht leidde gaf ons het gevoel dat we wisten wat we deden, dat we recht op ons doel afgingen.
VIII
Toen we de grens naderden zag ik een man staan, langs de kant van de weg. Hij probeerde onze auto tegen te houden door grote gebaren te maken. Hij hield een plastic zakje vast, waar waarschijnlijk enkele aardappelen inzaten die hij net had gekocht.
Het zakje wiegde vervaarlijk heen en weer en ik was bang dat het uit zijn handen zou schieten en ons raam zou raken.
IX
Achteraf gezien, als je alles wat daarna gebeurde in acht neemt, was mijn angst niet onterecht. We waren inderdaad verantwoordelijk niet schuldig
maar zeker niet voor het verstoren van de sporen:
voor iets veel belangrijkers.
Leave a comment